Het kerkelijk jaar
Op 23 november vieren we als gemeente de ‘laatste zondag van het kerkelijk jaar.’ Bij die zondag denken we volgens mij allemaal meteen aan het gedenken van onze overledenen; de zondag wordt ook wel ‘gedachteniszondag’ genoemd. Maar waarom
doen we dit op uitgerekend déze zondag? En is dat alles waar de laatste zondag van het kerkelijk jaar over gaat?
We zullen weer een emotionele dienst met elkaar gaan beleven op 23 november. Het afgelopen kerkelijk jaar was een bijzonder heftig jaar als het gaat om overlijdens. Op het moment van schrijven staat de teller op 13 overledenen; het grootste aantal sinds ik hier predikant ben, en mogelijk sinds langere tijd. Met name tijdens het voorjaar werden we als gemeente met het ene slechte nieuws na het andere geconfronteerd. Ik kan me nog goed herinneren dat ik niet de enige was die daar toen echt door aangedaan was. Op 23 november zullen alle namen opnieuw genoemd worden, en zullen de bijbehorende kaarsen nogmaals aangestoken worden. We zullen dus ook opnieuw het verdriet en het gemis benoemen, er de confrontatie mee aangaan.
Het is goed om dat zo bij tijd en wijle te doen; de namen noemen opdat zij niet vergeten worden. En ook opdat wij als gemeente niet vergeten welk verdriet er allemaal in onze gemeente speelt. Maar waarom op dit moment?
Als mensen hebben we behoefte aan het opknippen van de tijd in behapbare stukken. We wijzen hoofdstukken in het leven aan, die op een gegeven moment afgesloten kunnen worden om daarna weer een nieuw hoofdstuk te beginnen. God heeft dat ook zo bedacht door seizoenen aan te brengen in onze tijd: na elke lente, zomer, herfst en winter volgt er weer een nieuw cyclus van diezelfde seizoenen. Een jaar is een soort eenheid van tijd die we nog redelijk kunnen overzien; waar we op terug kunnen kijken en waar je nog plannen voor kunt maken. Maar waar zet je de knip tussen twee van die hoofdstukken? We hebben keuze genoeg! Zo is er natuurlijk oud&nieuw, wat eigenlijk een vrij willekeurige dag is in de winter, maar door de Romeinen ooit aangewezen als de start van het nieuwe jaar. Andere oude culturen hadden veel logischer momenten om hun jaarwisseling te vieren: rond 21 december (de kortste dag) of rond 21 juni (de langste dag), of op de eerste dag van de lente (een nieuw begin). Wij kennen ook nog het schooljaar, met de grote focus op de zomervakantie als kantelpunt. En daarnaast kennen wij als kerk dus nog het kerkelijke oud&nieuw, ergens aan het einde van november. We maken ons dan op om ons liturgisch jaar opnieuw te doorlopen: van Advent naar Kerst naar Pasen.
Al deze momenten zouden wij kunnen aangrijpen om de balans op te maken ten aanzien van onze overledenen. In de 19e eeuw, in de nasleep van de Napoleontische oorlogen met duizenden gesneuvelde soldaten, is besloten om de laatste zondag voor Advent hiervoor aan te wijzen. En wat een geschikt moment: terugkijkend op geëindigde levens, tegen de macht van de dood in, achtergebleven met enkel herinneringen die voortdurend vervagen, belijden wij dat na de dood Gods verhaal
verder gaat. Gods antwoord op onze gesloten graven is het verhaal van Christus dat uitloopt op een leeg, geopend graf. En daarom: na het gedenken volgt Advent.
Ik hoop en bid, met het oog op die 23e november, dat er iets van Advent mag plaatsvinden in het gemis en verdriet dat zoveel van ons meemaken. Dat het Evangelie van Jezus inderdaad een antwoord mag zijn op de lege plek in het tweepersoons bed, de lege stoel waar hij/zij altijd zat, en op al die andere ervaringen van leegte. Het verhaal van Advent loopt toe naar een leeg graf, en ons geloof vertelt ons dat wij, inclusief onze overledenen, onderdeel mogen worden van dat verhaal. Een nieuw begin, een nieuw jaar breekt dan aan, een jaar dat geen laatste zondag zal kennen.
Ds. Rob Bergsma





