Op zondag 18 mei hield ik een preek n.a.v. 1 Petrus 3, waar we de oproep lezen: ‘Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden.’ (vers 15) De preek was een reactie op de schijnbare toename van interesse in het christelijk geloof onder jongeren en jongvolwassenen. De vraag is dan: wat als die geïnteresseerden aankloppen bij ons, bij jou? Kunnen wij hen dan verder helpen? Kunnen we ons dan verantwoorden voor ‘de hoop die in ons leeft?’ In die preek deed ik het concrete voorstel om op 3 juni bij de samenkomst van gespreksgroep ‘Spitsuur’ deze vragen verder door te werken…
De opzet van die avond was buitengewoon simpel: we hebben onszelf twee van de meest basale vragen gesteld die mensen ons zouden kunnen stellen, en daarna elkaars antwoord beluisterd door de bril van een niet-kerkelijk iemand. De vragen waren: ‘waarom geloof je?’ en ‘wat geloof je?’ Met de eerste vraag kon iets gedeeld worden over de argumenten of aanleiding die we hebben om gelovig te zijn, of wat we aan ons geloof hebben gehad in ons leven. En met de tweede vraag zouden we meer concreet woorden geven aan wat de belangrijkste inhoud van ons geloof is. En een extra uitdaging: voor beide vragen gold dat we in maar enkele zinnen zouden antwoorden. Je hebt tenslotte maar zelden de tijd om een hele uiteenzetting te geven…
Twee simpele vragen dus. Maar ze beantwoorden bleek helemaal niet simpel. Het was zelfs zo dat we aan het einde van onze avond maar snel nóg een avond hebben belegd, want we hadden na één avond nog maar één van de vragen behandeld… Hierbij dus een kort verslag van beide avonden.
Er kwamen hele mooie antwoorden voorbij. Sommige antwoorden waren vooral met het hoofd bezig: argumenten voor het geloof of bepaalde dogma’s die bij de geloofsinhoud genoemd moesten worden. Manieren om het geloof begrijpelijk en rationeel onder woorden te brengen. Maar er waren ook hele persoonlijke antwoorden vanuit het hart; getuigenissen over wat God heeft gedaan in het leven en doorleefde uitspraken over God als Vader of als herder. Maar iedereen had grote moeite om de antwoorden te formuleren, en iedereen voelde terughoudendheid om ze met de groep te delen.
Dat had allereerst te maken met hoe persoonlijk en kwetsbaar dit allemaal is. Ons geloof is een uiterst individuele zaak tussen God en ons. Maar hoe deel je dat dan met iemand, als die over je schouder meekijkt? Hoe breng je persoonlijke ervaringen onder woorden die die ander niet heeft meegemaakt? Dat kan voelen alsof je iets bloot geeft voor een ander wat altijd afgedekt is geweest. Dat komt mede doordat die twee vragen voor veel van ons hele indringende vragen zijn die we onszelf ook wel eens stellen; waar we mee worstelen. Het kan voelen alsof je geloof maar een wankel fundament heeft, en dat het te fragiel is om de vragen van een ander te weerstaan. Als het mijn eigen vragen soms al nauwelijks aankan…
Een andere factor die onze antwoorden bemoeilijkte, was de taal. Dit kwam zeker om de hoek kijken bij de vraag naar wat we geloven. Hoe breng je dat onder woorden richting iemand die nooit een kerk van binnen zag en onze kerkelijke taal niet spreekt? Iets zeggen over dat er een God is en dat die de wereld heeft gemaakt; dat gaat nog wel. Maar dan hebben we nog maar twee hoofdstukken uit onze Bijbel gehad; dat is niet de kern van de zaak. Wij zijn tenslotte christenen; wij hebben iets met Jezus. En onder woorden brengen wat er aan Hém zo belangrijk is in een paar zinnen; dat is helemaal niet makkelijk. En al helemaal niet als je bij elk woord dat je gebruikt, merkt dat het voor vervreemding kan zorgen (zonde, redding, Koninkrijk, offer, Heilige Geest…).
Ik kan iedereen aanraden om deze twee vragen ook eens door je heen te laten gaan en antwoorden op papier te zetten. Dat is goed met het oog op mogelijke toekomstige gesprekken, maar ook omdat wij deze vragen ook vaak aan onszelf stellen. Maar houd dan misschien wel deze 3 richtlijnen in gedachten die ik ook op deze avonden heb meegegeven:
- Je antwoorden op deze vragen veranderen voortdurend. Het is dus niet zo dat als je één keer een prachtig antwoord vindt, je dan klaar bent. Dit is een doorgaand proces, naarmate we onze weg met God gaan. Dat gezegd hebbende; er zit ook, als het goed is, een doorlopende lijn, een vast fundament door je hele geloofsweg heen. Beantwoord deze vragen meerdere keren in je leven, en je komt wellicht iets van die rode lijn op het spoor.
- Naar een buitenstaander én naar onszelf toe hoeven de antwoorden niet altijd kraakhelder en sluitend te zijn. Er mag ook ruimte zijn voor het mysterie van het geloof, dat zich niet laat vastleggen in uitspraken en stellingen. Dat geldt ook voor de taal die wij gebruiken. Hopelijk is dat een voor buitenstaanders begrijpelijke taal, maar wellicht op sommige punten ook niet. Dat kan niet anders; we spreken over hoge en diepe zaken. Hierin is een balans nodig. Begrijpelijke, logische, beargumenteerde taal kan steriel en koud overkomen. Maar mysterieuze of hyperpersoonlijke taal kan ervoor zorgen dat de ander niet mee kan komen.
- Het ‘verantwoorden’ waar Petrus toe oproept, is uiteindelijk niet enkel een zaak van woorden. Onze daden, onze houding, ons enthousiasme; ze spreken vaak veel sterker dan de taal die we gebruiken. Dat benadrukt Petrus ook in zijn brieven: laat men ons aantreffen terwijl we goede dingen aan het doen zijn. Onze antwoorden op deze vragen kunnen nog zó perfect verwoord zijn; als het niet resoneert met de levens die we leiden, prikt men er dwars doorheen. ‘Wees bereid te verantwoorden van de hoop die in je leeft.’ Is er even weinig hoop, ga dan ook niet doen alsof.
Dit waren hele goede, kernachtige gesprekken. Die twee simpele vragen roepen heel veel op. Zullen we ze elkaar en onszelf blijven stellen? Opdat iedereen mag weten van de hoop die wij delen.
Ds. Rob Bergsma.





