Te Hôf

Home Columns Te Hôf

Exemple

Te Hôf

Thuis hadden wij een nauwe band met de Bildtse Post. Zo legde mijn vader als amateurfotograaf menig activiteit op het Bildt vast voor deze unieke krant. Het was altijd weer een verrassing welke foto’s en hoeveel er geplaatst werden. Een leuk zakcentje. Dat verdiende ik later ook met het rondbrengen van onze Bildtse Post.

Ver daarvoor droomde ik ervan schrijfster te worden. Menig boek kwam er van mijn hand, in gedachten dan. Ik kwam nooit verder dan hoofdstuk 1. Van verhaallijnen, karakters, perspectief en een plot had ik geen kaas gegeten. Niet zo raar misschien, waarschijnlijk was ik nog geen 10. Maar het was wel de Bildtse Post waarin mijn verhaaltje met de welluidende titel ‘Het keteltje dat niet wou fluiten’ verscheen.

Ik had dit epistel, waarvan ik alleen de titel nog weet, bij de Bildtse Post in de brievenbus gedaan. Woensdag na woensdag ploos ik de krant uit, zwaar teleurgesteld als het er weer niet in stond. Of het mijn ouders waren die bij Gerrit Dirks de Jong aan de bel trokken of dat ik dat zelf deed weet ik niet meer. Waarschijnlijk het laatste. Het was zo’n ding waarvan ik inschat dat mim had gevonden dat ik dat zelf wel kon doen. Wat ik toen leerde is dat een krant wil weten van wie een artikel komt. Zonder naam geen publicatie en de mijne ontbrak. Apentrots was ik dat mijn keteltje alsnog zwart op wit op de deurmat viel. Overigens, ik schreef dan wel nooit een roman, toch is er later nog een bundel met korte verhaaltjes van mijn hand verschenen: Even dit en even dat.

Schrijven is één, verkopen is twee.

Het eerste lukte beter dan het tweede, getuige de helft van de oplage die nog in de doos zit. Weer wat geleerd.

Wat altijd bleef is de band met de krant. Jarenlang kwam ik er maandelijks met een diskette waarop de uitgewerkte tekst voor Op ‘e Roaster. Het voelde altijd een beetje als thuiskomen. ‘Konnen wy ok lekker even Bildts prate’. Misschien overdrijf ik nu een beetje, maar dat zal alles te maken hebben met het op handen zijnde afscheid van de krant. Het stemt mij zo melancholiek dat ik de behoefte voel erover te schrijven. Na 86 jaar weer een stukje Bildt weg. Eerst de gemeente en nu dan de krant, het podium van de Bildtse taal en cultuur. Hoe komt het met mijn memmetaal, die mij in actieve en passieve vorm zo na aan het hart ligt?

Dat geldt trouwens ook het Fries. Regelmatig word ik overvallen door de rijkdom ervan. Neem nou ‘te hôf’. Onze overledenen, als ze worden begraven, brengen wij ‘te hôf’. Voor mij klinkt daarin iets eerbiedigs, iets van respect door. Ik kan geen vertaling naar het Nederlands bedenken die in twee woorden zoveel zegt. ‘Te hôf’, een uitdrukking waarin zich de rijkdom van de Friese taal in optima forma manifesteert. Om te koesteren, te gebruiken en te bewaren. Dat geldt ook voor ‘it hôf om tsjerke hinne’, het kerkhof. En niet begraafplaats zo het nu vaak genoemd wordt. Immers, een kerkhof is een begraafplaats, maar niet elke begraafplaats is een kerkhof.

Hoe mijn liefde voor taal mij nu naar het kerkhof leidt is me een raadsel. Of is het net als vroeger, toen ik met een verhaal begon maar niet wist waar het zou eindigen? Over einde gesproken. Zo rond Pasen denk ik aan Jezus. Zijn leven eindigde niet aan het kruis. Zijn opstanding is ons houvast. Wij mogen geloven dat er meer is dan ons leven hier op aarde. En brengen wij onze geliefden ‘te hôf’, dan hoop ik dat geloof te mogen ervaren.

RIA